Enkele cijfers

De literatuur geeft heel wat cijfers over hoe vaak gehoorverlies voorkomt bij de algemene bevolking. Wie zich in die cijfers verdiept, ziet snel dat de percentages verschillen. Dat heeft onder meer te maken met de geteste groepen (bijvoorbeeld hun leeftijd) en met de criteria die gehanteerd worden om van een gehoorverlies te spreken.

Bij de algemene bevolking

  • Bij personen met een normale begaafdheid komt een gehoorverlies van 45 dBHL voor bij 0,2 % van de mensen tussen 18 en 30 jaar, tegenover 17,6 % bij mensen tussen 70 en 80 jaar (Lemkens, 2003).
  • Bij de algemene bevolking bedraagt de prevalentie van gehoorverlies 10,08 % (Willems, 2019).
  • De Wereldgezondheidsorganisatie (2018) spreekt over 5 % van de wereldbevolking.

Bij mensen met een verstandelijke beperking

Bij mensen met een verstandelijke beperking liggen deze cijfers veel hoger. Ook hier verschillen de cijfers, opnieuw door het gebruik van andere criteria en procedures.

  • Tijdens screening bij atleten van Special Olympics werd gehoorverlies vastgesteld bij 33 % van de onderzochte personen, en in zorgvoorzieningen bij 49,70 % (Willems, 2019).
  • Evenhuis e.a. (2001) stelden gehoorverlies vast bij 21 % van de onderzochte personen jonger dan 50 jaar en bij 77 % van wie ouder was dan 50 jaar.
  • Trommelen & De Bal (1994) kwamen uit op 23,3 % bij personen jonger dan 30 jaar en 78,2 % bij personen ouder dan 55 jaar.

Algemeen spreekt de literatuur over een prevalentie van 30 % (Willems, 2019). De prevalentie ligt het hoogst bij mensen met het syndroom van Down.

Werking van het oor

Het gehoororgaan bestaat uit vier delen:

  1. het uitwendige oor of buitenoor
  2. het middenoor
  3. het binnenoor
  4. de gehoorzenuw en de hoger gelegen gebieden waar geluidsprikkels worden verwerkt, tot in de hersenen

Soorten gehoorverlies

Professionals onderscheiden verschillende soorten gehoorverlies. Die houden verband met de plaats van het defect of met de oorzaak. Vaak wordt dit de aard van het gehoorverlies genoemd.

1. Geleidingsverlies

Ook transmissiestoornis, transmissieverlies of conductief verlies genoemd. Bij een geleidingsverlies ligt de oorzaak in het buitenoor of het middenoor.

Voorbeelden van stoornissen in het buitenoor:

  • afwijking aan de oorschelp (aangeboren of na een trauma)
  • huidaandoening aan de oorschelp of in de gehoorgang (bijvoorbeeld eczeem of psoriasis)
  • oorproppen
  • vormafwijking van de gehoorgang, of een afwezige gehoorgang
  • ontsteking in de uitwendige gehoorgang

Voorbeelden van stoornissen in het middenoor:

  • aandoening van het trommelvlies (bijvoorbeeld een perforatie of ontsteking)
  • middenoorontsteking
  • onderbreking van de gehoorbeenketen (hamer, aambeeld en stijgbeugel)
  • vervorming in het middenoor

Ligt de oorzaak in het buitenoor of het middenoor, dan hoort de persoon de geluiden stiller.

Bij normaalbegaafde personen kunnen zulke stoornissen meestal medisch worden opgelost. Bij chronische middenoorontstekingen worden bijvoorbeeld trommelvliesbuisjes of diabolo's geplaatst.

Bij mensen met een verstandelijke beperking is een medische oplossing vaak minder evident. Algemene verdoving of narcose vormt soms een tegenindicatie (bijvoorbeeld door epilepsie of hartproblemen). Ook anatomische afwijkingen en het risico op afstoting spelen mee. De voordelen worden daarom in team en in samenspraak met het sociaal netwerk afgewogen tegenover de mogelijke risico's.

Oorproppen komen veel vaker voor bij mensen met een verstandelijke beperking. Willems (2019) spreekt over overtollig oorsmeer bij 32,5 % van de atleten die gescreend werden tijdens Special Olympics en bij 23,4 % van de zorggebruikers in zorgvoorzieningen. In werkelijkheid liggen die cijfers wellicht hoger: ter voorbereiding op de screening worden de oren vaak al gereinigd. In de literatuur varieert het voorkomen tussen 28 en 42 %. Ter vergelijking: bij volwassenen zonder antecedenten gaat het om 10 %, bij kinderen om 5 % (De Sutter, Dhooghe & Van Ree, 2009).

Ook middenoorproblemen komen vaker voor: bij 28,6 % van de deelnemers aan Special Olympics en bij 37,6 % van de gescreende zorggebruikers, tegenover 13,7 % bij de algemene bevolking (Willems, 2019).

2. Perceptief verlies

Ook sensorineuraal gehoorverlies genoemd. Hierbij situeert het verlies zich in het binnenoor, de gehoorzenuw of de hoger gelegen gebieden waar geluidsprikkels worden verwerkt.

Voorbeelden van stoornissen in het binnenoor:

  • ouderdomsslechthorendheid: beschadiging van het binnenoor als gevolg van de leeftijd
  • lawaaitrauma: beschadiging door een eenmalige knal of door langdurige blootstelling aan lawaai

Ligt de oorzaak in het binnenoor, dan hoort de persoon de geluiden stiller én vervormd. Voor een stoornis in het binnenoor bestaat er geen medische oplossing.

Versnelde luidheidsaangroei (recruitment)

Bij een perceptief gehoorverlies kan er ook sprake zijn van recruitment. Het geluidsniveau waarop iemand begint te horen heet de drempel. Daarnaast is er een grens waarboven geluiden als onaangenaam luid worden ervaren. Bij recruitment komen die drempel en die pijngrens dichter bij elkaar te liggen.

Signalen die kunnen wijzen op versnelde luidheidsaangroei:

  • de persoon begrijpt een zachte stem niet, maar houdt de handen bij de oren zodra iemand zijn stem verheft
  • de persoon lijkt goed te horen, maar laat merken dat omgevingslawaai, de tv, de radio of het gepraat van aanwezigen onaangenaam luid is, terwijl anderen daar geen last van hebben

Overgevoeligheid voor geluid kan samengaan met gehoorverlies, maar komt ook voor bij mensen zonder gehoorverlies. Enkel een gehoortest geeft hierover uitsluitsel.

Ook bij ouderdomsslechthorendheid zijn er duidelijke verschillen. Bij de normaalbegaafde bevolking treedt die op rond 60 à 65 jaar (Willems, 2019). Bij personen met een verstandelijke beperking gebeurt dat een tiental jaar vroeger (Meuwese-Jongejeugd, 2006). Volgens Willems (2019) zelfs 10 tot 15 jaar eerder, en bij mensen met het syndroom van Down kan dat tot 30 jaar vroeger zijn. Daarnaast komt gehoorverlies door lawaai en medicatie regelmatig voor.

Een perceptief gehoorverlies kan stabiel blijven, maar neemt vaak verder toe met de tijd.

3. Gemengd gehoorverlies

Bij een gemengd gehoorverlies is er zowel een stoornis in het buitenoor of middenoor als in het binnenoor. Bijvoorbeeld ouderdomsslechthorendheid samen met een oorprop, of een lawaaitrauma samen met een middenoorontsteking.

De persoon ondervindt de problemen dan gecombineerd. De verhouding tussen de geleidingsfactor en de perceptiefactor bepaalt in welke mate er naast verminderd horen ook sprake is van vervormd horen.

Om de gevolgen te beperken is het van groot belang geleidingsverliezen snel op te sporen en gepast te behandelen.

Graad van gehoorverlies

De graad van het gehoorverlies zegt iets over de ernst ervan. De luidheid van geluiden wordt uitgedrukt in decibel (dB). Geluidsniveaus die de graad van gehoorverlies uitdrukken, worden meestal weergegeven in dBHL. Hoe harder het geluid, hoe hoger het aantal decibel. Het nulpunt in dBHL verwijst naar het niveau waarop 50 % van de goedhorende bevolking geluid begint waar te nemen. Wie beter hoort, haalt dus een negatieve drempelwaarde, bijvoorbeeld -5 dBHL.

Bij tonale audiometrie, het meest bekende basisonderzoek, wordt de drempel op verschillende toonhoogtes of frequenties bepaald. Om de graad af te leiden, berekent een professional (NKO-arts, audioloog of logopedist) het gemiddelde van de drempels op bepaalde toonhoogtes. Niet alle gemeten drempels tellen mee, en er bestaan verschillende formules. Wat ze gemeen hebben: vooral de drempels in de spraakzone wegen door.

Er bestaan verschillende indelingen. Hieronder die van het Bureau International d'Audiophonologie (BIAP).

Tabel 1: audiometrische classificatie van gehoorverlies (© BIAP, aanbeveling 02/1 bis, Lissabon, 1997)
GraadGehoorverliesInvloed op het verstaan van spraak
I: (sub)normaal gehoor0-20 dBHLEventueel een discreet gehoorverlies zonder sociale weerslag.
II: licht gehoorverlies21-40 dBHLDe normale spreekstem wordt waargenomen. Een zachte stem of een spreker veraf wordt moeilijk waargenomen. Het merendeel van de vertrouwde geluiden wordt waargenomen.
III: matig gehoorverlies1e graad: 41-55 dBHL
2e graad: 56-70 dBHL
De spraak wordt waargenomen als je de stem verheft. Men verstaat beter wanneer men de spreker ziet. Enkele vertrouwde geluiden worden nog waargenomen.
IV: ernstig gehoorverlies1e graad: 71-80 dBHL
2e graad: 81-90 dBHL
Spraak met luide stem vlakbij het oor wordt waargenomen. Sterke geluiden worden waargenomen.
V: doofheid1e graad: 91-100 dBHL
2e graad: 101-110 dBHL
3e graad: 111-119 dBHL
Geen enkele waarneming van spraak. Enkel zeer sterke geluiden worden waargenomen.
VI: totale doofheid> 120 dBHLEr wordt niets waargenomen.

Het audiogram

De toonhoogte of frequentie van de testtonen wordt uitgedrukt in hertz (Hz). Hoe hoger of scherper de toon, hoe hoger het aantal hertz.

De resultaten van het gehooronderzoek worden genoteerd op een audiogram. Op de horizontale as staan de frequenties in hertz, op de verticale as de geluidsniveaus in decibel. Op het audiogram zie je ook waar een aantal voorbeeldgeluiden en spraakklanken zich situeren. Een grasmaaier produceert bijvoorbeeld 100 dBHL op een toonhoogte van 250 Hz.

Resultaten van het rechteroor (zonder hoortoestellen of andere hulpmiddelen) worden voorgesteld door rode bollen die met elkaar verbonden worden. Die van het linkeroor door blauwe kruisjes.

Alles wat zich boven de gemeten lijn bevindt, kan de testpersoon niet horen. Wat eronder ligt, hoort hij wel. Hij kan dus wel de kraan horen lekken, maar geen motorfiets horen passeren. Als hij goed luistert, kan hij de telefoon net horen rinkelen.

Een gehoorverlies in de hoge frequenties heeft een grotere impact op het spraakverstaan dan een verlies in de lage frequenties. Een testpersoon kan bijvoorbeeld de oe, oo, uu, eu, aa, b, n en r nog van elkaar onderscheiden, maar heeft moeite met de h, m, v, w, g, j, d, p, t, k, f, ch, s, z en ie. Hij herkent dus bepaalde klanken van een woord wel en andere niet. Die ontbrekende klanken moet hij invullen door na te denken, en daarvoor valt hij terug op zijn taalkennis, cognitie en redeneervermogen.

Mensen met een verstandelijke beperking beschikken over minder taalkennis en beperktere redeneervaardigheden. Zij ondervinden daardoor nog meer problemen om tot spraakverstaan te komen. Meer over de functies van geluid lees je in het hoofdstuk Belang van horen.

Het gehoorverlies is zelden even groot op alle frequenties. Veel mensen horen lage tonen beter dan hoge. Dat geeft extra problemen bij het verstaan van spraak in achtergrondlawaai: dat lawaai is laagtonig, terwijl spraakklanken (vooral medeklinkers) vooral hoogtonig zijn. Het achtergrondlawaai wordt dus beter gehoord dan de spraak en overstemt ze. Een gesprek in een rustige omgeving lukt dan misschien prima, terwijl hetzelfde gesprek op een feestje veel moeilijker verloopt.

Besluit

Gehoorverlies komt vaker voor bij personen met een verstandelijke beperking: dat staat vast. Het soort gehoorverlies bepaalt of iemand naast minder horen ook last heeft van vervormd horen, en of een medische oplossing overwogen kan worden. De graad van gehoorverlies drukt uit hoeveel minder iemand hoort. Daarnaast speelt ook mee hoe het gehoorverlies verloopt over de verschillende frequenties.

PDF en bibliografie

Bibliografie

  • De Sutter, A., Dhooghe, I., & Van Ree, J.W. (2009). Neus-keel-ooraandoeningen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  • Evenhuis, H.M., Theunissen, M., Denkers, I., Verschuure, H., & Kemme, H. (2001). Prevalence of visual and hearing impairment in a Dutch institutionalised population with intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 45(5), 457-464.
  • Lemkens, N. (2003). Presbyacousis: een vlag die veel ladingen dekt. Logopedie, 16(4), 8-17.
  • Meuwese-Jongejeugd, J. (2006). Hearing impairment in adults with an intellectual disability: epidemiology and rehabilitation. Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.
  • Northern, J.L., & Downs, M.P. (2002). Hearing in children. Baltimore: Williams & Wilkins.
  • Trommelen, J.C.M., & De Bal, C. (1994). Prevalentie van slechthorendheid in geïnstitutionaliseerde populatie verstandelijk gehandicapten zonder het syndroom van Down. Logopedie, 7(2), 29-32.
  • Willems, M. (2019). Special Olympics Healthy Hearing Programma & typische oor- en gehoorproblemen bij personen met een verstandelijke beperking. Themadag Gehoor en verstandelijke beperking, Thomas More Antwerpen, 2 maart 2019.
  • WHO (2018). Deafness and hearing loss. Geraadpleegd via who.int (opent in een nieuw tabblad).