Goed om te weten

Een hoorapparaat lost niet alle problemen op

Gehoorverlies is een complexe stoornis: het is meer dan alleen minder horen. Hoorde iemand enkel minder, dan zou een hoorapparaat het probleem volledig kunnen verhelpen. De meeste mensen met gehoorverlies nemen geluiden en spraak echter ook vervormd waar. Bovendien is het verlies meestal groter in de hoge tonen dan in de lage, en spraak bevindt zich juist vooral in de hoge tonen. Veel mensen met gehoorverlies zijn daarnaast gevoeliger voor luide geluiden: de grens van het net kunnen horen ligt dichter bij de grens van het niet meer kunnen verdragen.

Hoorapparaten zijn persoonlijke hulpmiddelen

De instellingen worden individueel en per oor bepaald, rekening houdend met het soort gehoorverlies en de ernst ervan. Zonder aanpassing door een audioloog mogen hoorapparaten daarom nooit aan iemand anders worden doorgegeven.

Hoorapparaten verschillen sterk in prijs

De prijsverschillen zijn groot, door de grote variatie aan technologische mogelijkheden. De audioloog zoekt samen met de cliënt en zijn omgeving het meest geschikte toestel. Eenvoudige hoorapparaten worden bijna volledig terugbetaald door de mutualiteit. Tijdens een proefperiode kan de cliënt verschillende toestellen uitproberen.

Hoorapparaten hebben een geluidsbegrenzer

De begrenzer zorgt ervoor dat harde geluiden beperkt worden in kracht, zodat de persoon geen schadelijke geluiden te verwerken krijgt. Kan de persoon ondanks die begrenzing geen harde geluiden verdragen, vraag de audioloog dan om de begrenzer aan te passen.

Soorten hoorapparaten

Oorhanger (achter het oor)

De oorhanger is het meest voorkomende hoorapparaat. Je kan kiezen tussen een toestel met een klassiek oorstukje of een RIC (Receiver In the Canal). Beide varianten bestaan met een gewone of met een herlaadbare batterij.

Close-up van een hoortoestel achter het oor, onder een pet.

Toestellen in het oor

Toestellen in het oor (intra) of diep in het oor (CIC) komen zelden voor bij mensen met een verstandelijke beperking. De voornaamste redenen:

  • ze zijn moeilijker te manipuleren, bijvoorbeeld bij het inbrengen en aanzetten
  • personen met een verstandelijke beperking hebben vaak een smallere of anders gevormde gehoorgang
  • de versterking is beperkter. Het gehoor gaat bij deze doelgroep vaak sneller achteruit, waardoor het toestel na twee jaar mogelijk onvoldoende reserve heeft
  • er wordt meer oorsmeer aangemaakt. Raakt de filter verstopt, dan moet de audioloog die vervangen

Er bestaan nog heel wat andere toestellen. Vraag daarover raad aan de audioloog.

Cochleair implantaat (CI)

Een cochleair implantaat is bedoeld voor wie onvoldoende baat heeft bij een hoorapparaat. Bij volwassenen met een verstandelijke beperking wordt het zelden geplaatst, omwille van de intensieve revalidatie. Met een goede omkadering en een aangepast revalidatieproces heeft het wel kans op slagen: de laatste jaren werd in Vlaanderen bij een aantal volwassenen met een verstandelijke beperking met succes een cochleair implantaat geplaatst. Volwassenen hebben recht op terugbetaling van één implantaat, als aan de vergoedingsvoorwaarden voldaan is.

Bewoonster met een cochleair implantaat sorteert kaartjes aan een werktafel.

Beengeleidingstoestel (BAHA)

Een BAHA is alleen geschikt voor personen met een gehoorverlies als gevolg van een aandoening in het middenoor. Voor een beengeleidingstoestel geldt een specifieke terugbetaling. Vraag hierover meer informatie aan je audioloog.

Starten met hoorapparaten

Het aankopen van een hoorapparaat is een belangrijke stap naar beter horen en meer levenskwaliteit. Omdat elk gehoorverlies anders is, vraagt dit proces een zorgvuldige en persoonlijke aanpak. Hieronder leggen we stap voor stap uit wat er moet gebeuren. Weet dat hoorapparaten kosteloos uitgeprobeerd kunnen worden, vooraleer je overgaat tot aankoop.

Voorschrift van de NKO-arts

Om een proef te kunnen starten met hoorapparaten, is een voorschrift van de NKO-arts vereist. Tijdens de NKO-consultatie wordt een volledig onderzoek van het oor en het gehoor uitgevoerd. Indien nodig geeft de arts een voorschrift mee om een hoorapparaat te mogen testen. Dat voorschrift is ook nodig om later eventueel een financiële tegemoetkoming van de mutualiteit te krijgen bij de aankoop van het hoorapparaat.

Vrijblijvende proefperiode

Met het voorschrift van de NKO-arts kan je gratis en vrijblijvend een hoorapparaat uittesten in een hoorcentrum. De proefperiode duurt zo lang als nodig, tot er voldoende comfort en tevredenheid is over de hoorapparaten. Zo kan rustig nagegaan worden welk apparaat het best past bij de persoon, zijn of haar gehoorverlies en de dagelijkse omgeving.

Om de proefperiode op te volgen, kan je de vragenlijst proefperiode hoorapparaten gebruiken (bijlage 3, onderaan deze pagina).

Einde van de proefperiode

Verloopt de proefperiode positief en bieden de hoorapparaten voldoende ondersteuning, dan kan beslist worden om de toestellen aan te kopen. Tijdens een nieuwe consultatie moet de NKO-arts zich akkoord verklaren met de bevindingen van de audioloog. De audioloog helpt verder met de administratie voor een eventuele tegemoetkoming van de mutualiteit.

Ook na de aankoop blijven opvolging en bijsturing belangrijk. Indien nodig worden de instellingen van de hoorapparaten verder aangepast, om het comfort en het verstaan zo goed mogelijk te houden.

Het kan gebeuren dat hoorapparaten uiteindelijk toch niet voldoende ondersteuning bieden, of dat een bepaald apparaat niet goed aansluit bij de verwachtingen en behoeften. Dan kunnen de hoorapparaten teruggegeven worden en stopt de proefperiode. Samen met de audioloog worden mogelijke verdere stappen bekeken.

Onderdelen van het hoorapparaat

  1. Oorhanger: het eigenlijke hoorapparaat
  2. Elleboogje of toonbochtje
  3. Plastic slangetje of akoestisch buisje
  4. Oorstuk
  5. Batterijkamer, of het laadpunt bij een herlaadbaar toestel

Dagelijks gebruik

Links en rechts van elkaar onderscheiden

Omdat het gehoorverlies zelden aan beide oren even groot is, moet het juiste toestel op het juiste oor. De audioloog brengt daarvoor meestal een kleurcode aan, op een plaats die niet zichtbaar is wanneer de persoon het toestel draagt:

  • blauw voor het linkeroor
  • rood voor het rechteroor

Vraag de audioloog om die kleurcode aan te brengen. Ontbreekt ze op het oorstuk, dan herken je links en rechts zo: leg het oorstuk op tafel met het gedeelte dat in de gehoorgang schuift naar boven. Wijst de kromming naar rechts, dan is het het rechteroorstuk; wijst ze naar links, dan is het het linkeroorstuk. De kromming van het oorstuk volgt met andere woorden de kromming van je hand.

Oorstuk aan de oorhanger bevestigen

Bevestig het doorzichtige slangetje van het oorstuk aan het toonbochtje van het hoorapparaat. De kromming van het hoorapparaat moet overeenkomen met die van het oorstuk. Let op dat je het rechteroorstuk op het rechterhoorapparaat plaatst.

Controleren of het toestel werkt

Met wegwerpbatterij:

  • gebruik steeds het batterijtype dat de audioloog voorstelt (herkenbaar aan een kleurcode)
  • plaats de batterij correct in de batterijkamer, let op + en -. Soms staat dat binnenin afgebeeld
  • klik de batterijkamer volledig dicht
  • houd het toestel dicht bij je oor en luister na enkele seconden naar de opstartmelodie

Herlaadbaar:

  • laad de toestellen op in de bijhorende lader
  • het indicatorlampje geeft aan wanneer het toestel is opgeladen
  • plaats de toestellen altijd in de oplader wanneer ze niet gedragen worden
  • standaard schakelt het toestel automatisch in zodra je het uit de lader haalt

Een bijna lege batterij kan bij het inschakelen nog even stroom geven. Zorggebruikers geven niet altijd aan dat het toestel niet meer werkt. Overweeg daarom de batterij op een vast moment te vervangen: zo garandeer je altijd werkende hoorapparaten.

In- en uitschakelen

  • Herlaadbaar: haal de toestellen uit het laadstation volgens de handleiding, ze zijn dan ingeschakeld.
  • Met batterij: klik de batterijkamer volledig dicht om in te schakelen, zet ze volledig open om uit te schakelen.

Het hoorapparaat plaatsen

  1. Plaats het ingeschakelde hoorapparaat bij het oor.
  2. Richt het uiteinde van het oorstuk naar het oor. De kromming van het toestel volgt de kromming van het oor.
  3. Trek de oorschelp voorzichtig naar boven en naar achter. Plaats het uiteinde van het oorstuk in het oor en schuif het in de gehoorgang.
  4. Controleer of het oorstuk goed vastzit door het even aan te drukken.
  5. Hang de oorhanger over de oorschelp.

Tips:

  • Heeft de persoon wondjes aan de oorschelp of in de gehoorgang, laat die dan eerst genezen en laat het toestel enkele dagen uit. Vraag eventueel raad aan de arts.
  • Na verloop van tijd past een oorstuk soms niet meer goed: het schuift moeilijker in de gehoorgang, zit te los, het toestel fluit sneller of er ontstaan wondjes. Maak dan een afspraak met de audioloog: hij kan het oorstuk bijvijlen of een nieuw maken. Controleer ook of er geen scherpe kantjes aan het oorstuk zitten.

Het hoorapparaat uitnemen

  1. Haal de oorhanger van achter het oor.
  2. Neem het oorstuk bij het doorzichtige slangetje en haal het voorzichtig uit het oor.
  3. Verwijder het oorsmeer op het oorstuk met een zacht doekje.
  4. Zet de batterijkamer open (bij toestellen met batterij).
  5. Bewaar het toestel in een luchtdicht doosje met droogtablet, of gebruik een droogtoestel. Dat laatste heeft ook een antibacteriële werking.

Verwijder de batterij op voorhand: dat verlengt de levensduur. Vooral bij mensen die veel zweten is het belangrijk om 's nachts droogtabletten of een droogtoestel te gebruiken.

De volumeregelaar

Er zijn toestellen met en zonder volumeregelaar. Zonder regelaar wordt het volume automatisch geregeld. Bij sommige toestellen kan het handmatig. Bij mensen met een verstandelijke beperking wordt er meestal voor gekozen om de volumeregelaar uit te schakelen. Vraag hierover uitleg aan de audioloog.

Voorzorgsmaatregelen

Schokken, warmte, water, zand en haarlak

  • Schokken: laat toestellen niet vallen. Voer handelingen altijd uit boven een veilige ondergrond, bijvoorbeeld een tafel met een zachte doek erop.
  • Water: werk nooit met de toestellen in de buurt van water, bijvoorbeeld boven een vochtige ondergrond of naast een gevulde lavabo. Zorg dat de persoon de toestellen niet draagt in bad of onder de douche, en vergeet ze niet uit te doen in het zwembad of bij de kapper. Plaats ze pas terug als het haar volledig droog is.
  • Warmte: laat de toestellen uit wanneer je het haar droogt met een haardroger. Leg ze ook nooit op de verwarming om te drogen.
  • Haarlak: verwijder de toestellen wanneer je haarlak gebruikt.
  • Zand: haal het toestel uit wanneer de persoon in of met zand speelt, of gebruik een beschermhoes (verkrijgbaar bij de audioloog).

Verlies en verwisseling voorkomen

Je kan de toestellen met een speciale klip aan de kledij bevestigen (verkrijgbaar bij de audioloog). Let er bij het uitkleden wel op dat je eerst het toestel verwijdert.

Omdat de instellingen per oor bepaald zijn, mag je het linker- en rechtertoestel niet verwisselen. Om verwisseling tussen personen te voorkomen, voorzie je de toestellen en bewaardozen best van initialen of andere kenmerken.

Veilig bewaren

Bewaar hoorapparaten altijd op dezelfde, veilige plaats, buiten het bereik van medebewoners, kleine kinderen en huisdieren. Tijdens het slapen of rusten bewaar je ze bij voorkeur in een droogdoos.

Op verplaatsing

Het is van groot belang dat hoorapparaten zo veel mogelijk gedragen worden. Wie ze niet draagt, verliest een belangrijke bron van informatie over wat er rondom hem gebeurt. Alleen wanneer de toestellen schade kunnen oplopen, moeten ze uit: bij het zwemmen, bij de kapper.

Het is dan niet nodig om ze al bij vertrek uit te doen. Houd ze zo lang mogelijk in: net vóór het zwemmen, net voordat de kapper het haar wast. Voorzie zeker een doosje om ze ter plaatse veilig op te bergen.

Onderhoud

Maak op voorhand duidelijke afspraken over wie het onderhoud op zich neemt en wanneer dat gebeurt. Een onderhoudsdoos per gebruiker, met de nodige materialen en instructies, werkt goed.

Het oorstuk reinigen

  1. Haal het oorstuk van het hoorapparaat. Laat het plastic slangetje aan de oorhanger hangen. De oorhanger mag niet met water gereinigd worden.
  2. Reinig op een van deze twee manieren:
    • Met reinigingstabletten: leg een tablet (verkrijgbaar bij de audioloog) in een reinigingsbeker, voeg warm water toe en laat het oorstuk weken. Omdat mensen met een verstandelijke beperking meer oorsmeer aanmaken, is 20 minuten meestal niet voldoende. Week zo nodig langer, desnoods een hele nacht.
    • Met een ultrasoon reinigingstoestel: vul het toestel met warm water, leg de oorstukjes in het mandje, voeg eventueel een geschikt reinigingsmiddel toe, sluit het deksel en volg de instructies.
  3. Neem het oorstuk eruit en spoel grondig met lauw water.
  4. Droog het oorstuk met een zacht doekje.
  5. Zorg dat ook de binnenkant volledig droog is. Gebruik daarvoor een blaasbalgje of peertje (verkrijgbaar bij de audioloog). Een spuitbus met perslucht werkt ook.
  6. Controleer of er geen vocht meer in zit.
  7. Bevestig het oorstuk terug aan de oorhanger.

Tips:

  • Reinig het oorstuk één à twee keer per week, zeker bij mensen die veel oorsmeer aanmaken.
  • Gebruik geen reinigingstabletten voor een kunstgebit: die tasten het oorstuk na verloop van tijd aan.
  • Gebruik geen wattenstaafjes, naalden of tandenstokers om oorsmeer uit de kanaaltjes te halen. Daarvoor bestaan aangepaste accessoires bij de audioloog.
  • Bij een ontstoken gehoorgang kan het nodig zijn het oorstuk te ontsmetten. Bespreek dat met de arts.
  • Verwijder zichtbaar oorsmeer uit de gehoorgang met een washandje, een gaasje of een reinigingsdoekje.
  • Niet alle hoorapparaten hebben een klassiek oorstukje. Sommige types mogen niet met tabletten of een ultrasoon toestel gereinigd worden. Vraag de audioloog naar aangepaste accessoires.

Onderhoud van de oorhanger

  • De oorhanger mag niet in het water. Reinig hem alleen met een zacht, droog doekje.
  • De meeste hoorcentra organiseren technische controledagen. Ga minstens één keer per jaar. Organiseert het centrum die niet, maak dan zelf een afspraak. Technische controles horen bij de nazorg en zijn gratis.

Het slangetje vervangen

Vervang vergeelde en verharde slangetjes. Ze kunnen zorgen voor vervorming van het geluid, fluiten van het toestel, een oncomfortabel gevoel, beschadiging van het oorstuk of verlies van het hoorapparaat.

Een slangetje vervangen is eenvoudig en kan je zelf doen. Slangetjes zijn verkrijgbaar bij de audioloog.

  1. Maak oorstuk en slangetje los van de oorhanger.
  2. Haal het slangetje van het oorstuk.
  3. Knip het nieuwe slangetje op de gewenste lengte, telkens 1 mm langer dan het oorspronkelijke. Slangetjes verkorten na verloop van tijd door uv-straling.
  4. Bevestig het nieuwe slangetje aan de oorhanger en het oorstuk.

Batterijen plaatsen en vervangen

  1. Open de batterijkamer en verwijder de oude batterij.
  2. Houd het toestel vast zodat het plusteken op de batterijkamer naar boven gericht is.
  3. Draai de batterij met het plusteken naar boven (de vlakke, platte kant).
  4. Plaats de batterij in de batterijkamer.
  5. Sluit de batterijkamer: je moet een klikje voelen of horen.
  6. Controleer of het toestel werkt en luister naar de opstartmelodie.

Werkt het toestel niet na het vervangen van de batterij?

  • Reinig de binnenkant van de batterijkamer met een zacht doekje.
  • Controleer of de batterij goed geplaatst is.
  • Controleer de batterijspanning met een batterijtester.
  • Probeer een nieuwe batterij: sporadisch werken nieuwe batterijen niet.
  • Raadpleeg de audioloog als het toestel nog steeds niet werkt.

Tips:

  • Op batterijen zit een klevertje. Zodra je dat verwijdert, begint de batterij lichtjes te verbruiken. Verwijder het dus een halve minuut voor je de batterij plaatst. Het klevertje terugplaatsen heeft geen zin.
  • Gebruik alleen batterijen die specifiek voor hoorapparaten bedoeld zijn. Andere batterijen zien er soms hetzelfde uit, maar hebben een andere spanning en kunnen het toestel ernstig beschadigen.
  • Er bestaan verschillende maten. Welke je nodig hebt, hangt af van het type toestel.
  • Bewaar batterijen op een droge plaats, dus niet in de badkamer.
  • De levensduur varieert per toestel. Noteer eventueel wanneer je nieuwe batterijen plaatst, zo krijg je daar zicht op. De meeste toestellen geven een seintje wanneer de batterij bijna leeg is, maar dat is enkel hoorbaar voor de drager.
  • Batterijen hebben een vervaldatum.
  • Laat de batterijkamer 's nachts volledig openstaan.

Eerste hulp bij problemen

Het hoorapparaat piept of fluit

Mogelijke oorzaakOplossing
Het oorstuk zit niet goed in het oor.Controleer of het oorstuk goed zit en plaats het correct.
De drager heeft een oorprop.Maak een afspraak bij de arts om te controleren op oorproppen en die indien nodig te verwijderen.
Het oorstuk past niet goed meer: er is te veel speling.Past het oorstuk niet meer goed, maak dan een afspraak met de audioloog.
Het oorstuk wordt afgesloten door een muts, kap, ander hoofddeksel of de hoofdsteun van een rolwagen.Vraag de audioloog of het toestel daarvoor bijgeregeld kan worden.
Het oorstuk is verschoven en sluit de gehoorgang niet meer goed af.Controleer of het oorstuk goed in het oor zit en plaats het correct.
De drager heeft te veel haar in de gehoorgang.Laat het haar in de gehoorgang trimmen of knippen.
Het hoorapparaat staat te luid.Heeft het toestel een volumeregelaar, controleer dan of die op de juiste stand staat.
Er zit een gaatje in het plastic slangetje.Sluit het kanaaltje in het oorstuk af en kijk of het toestel nog fluit. Zo ja, vervang het slangetje.

Fluit het toestel niet meer wanneer je het kanaaltje afsluit, dan heeft de persoon mogelijk een oorprop: maak een afspraak met een arts. Fluit het nog wel, dan ligt het aan het oorstuk, het slangetje of het toestel zelf: vervang eerst het slangetje. Blijft het fluiten, maak dan een afspraak met de audioloog.

Het hoorapparaat werkt niet

Mogelijke oorzaakOplossing
De batterij is verkeerd geplaatst.Plaats de batterij met het plusteken naar boven, of kijk naar de afbeelding binnenin de batterijkamer.
De batterijkamer is niet volledig gesloten.Klik de batterijkamer volledig dicht: je voelt of hoort de klik.
Het oorstuk is verstopt.Controleer op oorsmeer en reinig het oorstuk.
Het toestel staat op het verkeerde programma.Schakel het toestel volledig uit en weer in: het start altijd op in het standaardprogramma.
De volumeregelaar staat te laag.Schakel het toestel volledig uit en weer in: het start altijd op in het standaardvolume.
Er zit water in het oorstukje of het slangetje.Blaas de waterdruppel eruit met een peertje of pompje.

Controleer daarna of het toestel werkt: hoor je de opstartmelodie? Leg het toestel in je handpalm, sluit die en kijk of het piept. Werkt het nog steeds niet, maak dan een afspraak met de audioloog.

Eerste hulp bij ongevallen

Het hoorapparaat is nat

Hoorapparaten kunnen niet tegen water. Is het toestel toch nat geworden, open dan onmiddellijk de batterijkamer, verwijder de batterij en leg het toestel met een droogtablet in een afgesloten potje of doos. Maak zo snel mogelijk een afspraak met de audioloog.

Wat je zeker niet mag doen: het hoorapparaat op een warmtebron leggen (bijvoorbeeld de verwarming) of het drogen met een haardroger.

Het elleboogje is gedraaid of zit los

Draai of klik het elleboogje voorzichtig terug vast. Lukt dat niet, dan moet het vervangen worden. Elleboogjes zijn verkrijgbaar bij de audioloog.

Het hoorapparaat is gevallen

  1. Controleer of het toestel nog werkt. Beluister het indien mogelijk met een lier (verkrijgbaar bij de audioloog).
  2. Controleer of de batterij nog goed zit.
  3. Werkt het toestel niet meer, contacteer dan de audioloog.

PDF's

De PDF's bevatten ook foto's en illustraties die het plaatsen, reinigen en herstellen stap voor stap tonen.